Naar de schilderij van Guido Reni (1575–1642), Museum, Dresden.
Photo Alinari.
Voorwoord.
"De Sexueele Zeden in Woord en Beeld".... wij gevoelen het levendig, deze titel kan aanleiding geven tot misverstand aangaande den inhoud, althans omtrent den geest waarin het aangekondigde onderwerp is behandeld.
Wat toch onze Nederlandsche literatuur bezit aan werken op het gebied van het sexueele leven, is voor een groot gedeelte openlijke of verkapte pornografie, en voor de rest dorre archiefstudie of resultaat van natuur-wetenschappelijk onderzoek.
Dit werk evenwel is noch het een, noch het ander.
Het werk is gehouden op de hoogte van zijn grootsch en schoon onderwerp-wat met de waardigheid van dat onderwerp in strijd is te achten en wat gezonde fatsoensbegrippen aanstoot zou kunnen geven is op dezen onderzoekingstocht in het wonderland der sexueele zeden als minderwaardig en onbelangrijk voorbijgegaan. Een vluchtig doorbladeren van dit deel zal ook degenen, die ten deze de hoogste eischen stellen, met één oogopslag moeten overtuigen dat het qui s?excuse s?accuse hier niet van toepassing is.
Aan den anderen kant is de inhoud gedeeltelijk wel geput uit bronnen als archieven en dergelijke; en ook de resultaten der physiologische wetenschappen, voor zoover bruikbaar voor het gestelde doel, zijn er in verwerkt; maar steeds is naar literair-smakelijke vormen gezocht om er de gevonden schatten in op te dragen.
Het gebied, dat in dit werk wordt betreden, is onuitputtelijk rijk en veelzijdig-in het sexueele leven leeft de mensch zich uit in zijn vurigste instincten, die den een-individu?n zoowel als gemeenschappen-opheffen naar de hoogste bergtoppen van zedelijke volmaking, den ander daarentegen heenvoeren naar de diepste afgronden van menschelijke ontaarding. In die bonte veelheid van feiten en verschijnselen is steeds gezocht naar het typische en het interessante, maar vooral ook naar het wezenlijke. Zoo moest dit werk, dat een zoo belangwekkend stuk beschavingsgeschiedenis der menschheid behandelt, in velerlei opzicht worden tot een eersteling in onze nationale literatuur.
Dit wat het Woord betreft. Een enkele opmerking nog over het Beeld. Daaraan is-een vluchtig doorbladeren van dit eerste deel kan het alweer getuigen-evenveel zorg besteed, als aan den literairen inhoud. Zoo gaat het feitenmateriaal, in dit werk opgehoopt, als van regel tot regel aanvullend en toelichtend vergezeld van het schoone van wat de Kunst-die ide?ele spiegel der werkelijkheid-op het gebied van ons onderwerp heeft voortgebracht.
Dit is in hoofdtrekken het program, waarnaar dit werk met veelzijdige hulp-waarvoor hier nogmaals zij dank gezegd-is opgebouwd. Moge het een trouwe en eerlijke weerspiegeling worden bevonden van de grootsche werkelijkheid, die het zoekt weer te geven.
Amsterdam. De Schrijver.